In gesprek met overleden kunstenaars - De Stijl

Het is alweer 100 jaar geleden dat het eerste nummer verscheen van De Stijl. Hadden de oprichters ooit gedacht dat een eeuw later de impact van de gelijknamige kunststroming nog altijd zo groot zou zijn? Samen met oprichter Theo van Doesburg (1883-1931) en Piet Mondriaan (1872-1944) ga ik in gesprek over De Stijl, hun visie op kunst, hun raakvlakken en verschillen. En wat denken ze over het herdenkingsjaar 2017 met zoveel tentoonstellingen, onder andere in het Stedelijk Museum?

Theo van Doesburg, Counter-Composition V, 1924, coll. Stedelijk Museum Amsterdam en Bas Jan Ader, Bas Jan Ader, 1971, coll. Stedelijk Museum Amsterdam.

In oktober 1917 verscheen het eerste nummer van De Stijl. Waarom lanceerde u het tijdschrift mijnheer Van Doesburg?

Van Doesburg: ‘De Stijl betekende voor mij een nieuwe start. Het nakende einde van de Eerste Wereldoorlog was het uitgelezen moment voor die nieuwe orde. Er moest een nieuwe kunst komen, een moderne samenleving waarbij kunst en leven samenvloeiden. We waren ondanks alles optimistisch over de toekomst en geloofden in de vooruitgang. Door de kunst te zuiveren tot pure vormen moesten we opnieuw een harmonie vinden. U kunt wel stellen dat dit vrij radicaal was, maar het bleek al gauw dat ik niet de enige was met dit soort vooruitstrevende ideeën. Mijn standpunten spraken ook andere kunstenaars aan, waaronder Piet. Het tijdschrift werd hét klankbord voor gelijkgestemde vormgevers, architecten en schilders. We waren er allemaal rotsvast van overtuigd dat we met onze abstracte kunst en door het loslaten van het verleden de maatschappij konden moderniseren. Alle kunstvormen moesten samenwerken om dat doel te bereiken. Daarom ziet u het gedachtegoed van De Stijl terug in de schilderkunst, meubelontwerp, architectuur en grafische vormgeving. De titel van het tijdschrift werd plots een kunststroming op zich. Ongelooflijk eigenlijk als u beseft dat er nooit meer dan 300 exemplaren werden verkocht! En dan toch zo’n impact op de kunstgeschiedenis. Ik had het nooit durven dromen!’

Piet Mondriaan, Composition No. IV, with Red, Blue, and Yellow, 1929, coll. Stedelijk Museum Amsterdam en Isa Genzken, Untitled, 2012, courtesy Galerie Buchholz, Cologne/Berlin and Hauser & Wirth, Zurich/London. Photo: Delfanne.

Mijnheer Mondriaan, kort na het verschijnen van het eerste nummer volgde ook een Manifest waarin de principes werden uitgelegd. Als jullie de stijlkenmerken van De Stijl moest samenvatten, wat zijn die dan volgens u?

Mondriaan: ‘Misschien kan ik daar inderdaad het beste op antwoorden. In tegenstelling tot Theo, ben ik basisprincipes van De Stijl wel tot aan mijn dood trouw gebleven… Wij kunstenaars van De Stijl kozen resoluut voor een abstracte beeldtaal. Er was simpelweg geen ander alternatief. We bootsten niet langer de natuur na zoals al die kunstenaars voor ons.

Aan de basis van onze beeldtaal lagen universele principes op het vlak van vorm, kleur en compositie. En die principes golden niet alleen voor de schilderkunst, maar voor alle kunstdisciplines. Belangrijk is dat wij over die elementen op een rationele manier nadachten. We lieten ons geenszins leiden door onze emoties! Zoals u wel weet was ten eerste het kleurgebruik typisch voor De Stijl. We gebruikten de primaire kleuren en de niet-kleuren. Daarnaast werkten we met zuivere, geometrische vormen: rechthoekige vlakken en horizontale en verticale lijnen. Geen diagonalen (mompelt lichtjes geërgerd) al dacht Theo daar anders over… Tussen de vormen en kleuren moest een evenwicht gevonden worden en de composities die zo ontstonden straalden een universele rust uit.’

Portret van Piet Mondriaan, Onbekende fotograaf, omstreeks 1918. Collectie preciosafoto’s Piet Mondriaan, RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis.

Mijnheer Van Doesburg, Mondriaan haalt het al aan, u ging een andere richting op. Mondriaan, u nam hem dit kwalijk. Kunnen jullie daar iets meer over vertellen of ligt dit nog altijd gevoelig?

Van Doesburg: ‘Weet u, mensen vergeten vaak dat De Stijl de naam was van het tijdschrift, we zaten heus niet allemaal honderd procent op dezelfde golflengte. We waren geen kunstenaarsvereniging. Er zijn ook maar twee tentoonstellingen van ‘De Stijl’ geweest. De Stijl was geen eenheidsworst. We waren overtuigd van het gedeelde doel van kunst, maar bijvoorbeeld Bart (van der Leck), Gerrit (Rietveld) of Piet, gaven die basisprincipes elk op een andere manier vorm.’

Zoals de diagonaal bij u mijnheer Van Doesburg?

Van Doesburg: ‘Ja die diagonaal. Daar hebben we toen aardig wat woorden aan verspild. Nu we op leeftijd zijn, liggen we daar niet meer wakker van. Toch Piet? (Mondriaan haalt onverschillig zijn schouders op).’

Bart van der Leck, Composition, 1918 – 1920, coll. Stedelijk Museum Amsterdam en Roy Lichtenstein, As I Opened Fire, 1964, coll. Stedelijk Museum Amsterdam.

Het tijdschrift De Stijl werd al opgeheven in 1931, maar jullie stempel op de kunst bleek onuitwisbaar. De tentoonstelling ‘De Stijl in het Stedelijk’ toont jullie nalatenschap en laat zien hoe de stroming weerklank vond bij andere kunstenaars uit de collectie van het Stedelijk. Wat vindt u daarvan?

Mondriaan: ‘Weet u, ik snap die kunstenaars niet zo goed. Waarom zijn ze nog zo met ons bezig? Moet kunst niet een nieuwe wending zoeken? De Stijl was radicaal en revolutionair. De primaire kleuren, de soberheid, het kleurgebruik, de zuiverheid, het samengaan van interieur, kunst, architectuur, grafische vormgeving... We wisten, zoals u het al zei een stempel, te drukken op al die aspecten. Wij trokken een streep door het verleden, borduurden niet verder op iets dat anderen al voor ons hadden gedaan. We parodieerden niemand en gingen onze eigen weg. Is dat niet wat een kunstenaar moet doen?’

Van Doesburg: ‘Mondriaan heeft wel een punt, het idee druist een beetje in tegen onze eigen principes, maar los daarvan voel ik me wel vereerd. Toch wel bijzonder dat we 100 jaar en zoveel generaties van kunstenaars later nog altijd indruk maken!’

Gerrit Rietveld, Red and Blue Chair, 1919/1950, coll. Stedelijk Museum Amsterdam en Elsworth Kelly, Blue and Red Rocker, 1963, coll. Stedelijk Museum Amsterdam.