in gesprek met overleden kunstenaars

Maurits Cornelis Escher (1898-1972) werd geboren in Leeuwarden. Dat is meteen ook de aanleiding om de kunstenaar dit jaar in de kijker te zetten tijdens Leeuwarden Culturele Hoofdstad. De expo in het Friesmuseum doet ons beseffen dat Escher niet de mathematicus was die altijd achter zijn bureau zat zoals je misschien denkt als je zijn grafische werk ziet. Een gesprek met de Maurits Escher die niets liever deed dan struinen door Italiaanse dorpjes en landschappen.

Portretfoto M.C. Escher © the M.C. Escher Company B.V. All rights reserved. www.mcescher.com

Uw weg naar grafisch kunstenaar ging niet over één nacht ijs. Kunt u daar iets meer over vertellen?
‘Mijn vader was een ingenieur. En zoals zoveel vaders, wilde hij ook dat ik een echt vak zou kiezen en architect zou worden. Kunstenaar worden was voor hem en mijn moeder geen optie. Maar ik had maar weinig belangstelling voor school en haalde zelfs mijn eindexamen niet. Dankzij mijn vaders connecties kon ik toch naar de Technische Universiteit in Delft gaan, maar dat was niks voor mij. Als compromis mocht ik naar de School der Maatschappij voor Bouwkunde, Versierende Kunsten en Kunstambachten. Daar startte ik met Bouwkunde maar dankzij Samuel Jessurun de Mesquita maakte ik de overstap naar de grafische afdeling. Hij wist ook mijn ouders te overtuigen dat dit de juiste keuze voor mij was. Hoe zou het zijn gelopen als hij dat niet voor elkaar had gekregen vraag ik me soms af?’

Italië neemt een speciale plaats in, in uw oeuvre. Vanaf 1925 woonde u er 10 jaar. Hoe kwam u in Italië terecht?
‘Ik bezocht Italië voor het eerst begin jaren 1920, nadat ik afgestudeerd was in Haarlem. In 1923 ontmoette ik Jetta en haar familie in Ravello. Een jaar later zijn we getrouwd en in 1925 verhuisden we samen naar Rome. Twee van onze zoons zijn daar ook geboren.’

In de expo wordt al gauw duidelijk dat u in Rome niet achter uw bureau bent blijven tekenen. In tegendeel zelfs, u ging graag op pad. Waar reisde u naartoe en hoe ging u onderweg te werk?
‘Het liefst maakte ik elk voorjaar een lange reis. Ik trok graag enkele weken de bergen in. Meestal ging wel iemand van mijn vrienden mee. Zo heb ik heel wat streken van Italië verkend in de loop van de jaren; Calabrië, de Abruzzen, Napels en Sicilië... In de natuur was ik echt in mijn element. De onbekende bergnesten in het onherbergzame binnenland van Zuid-Calabrië waren bijvoorbeeld meestal slechts door een muilezelpad met de spoorweg, die vlak langs de kust loopt, verbonden: wie er heen wilde, diende te voet te gaan als hij geen ezel tot zijn beschikking had. Ik kende geen groter genot dan te zwerven door dalen en over heuvels, van dorp tot dorp, de ongekunstelde natuur op mij in te laten werken. Onderweg tekende en schetste ik naar hartenlust de dorpsgezichten en de landschappen. Ook maakte ik heel veel foto’s. Later verwerkte ik die tekeningen en de foto’s in mijn houtsneden. Niet persé de tekening in zijn geheel, maar wel fragmenten ervan. Dat deed ik het liefste: verschillende elementen samenbrengen.’

Met uitzondering van enkele zelfportretten zijn er meestal geen mensen te bekennen in uw werk. Is daar een reden voor?
‘Ik ben graag alleen en ben ook geluidschuw en bewegingsschuw. Portretten heb ik bijvoorbeeld ook nooit gemaakt. Ik kan dat psychisch niet aan. Zo’n vent die voor je zit, zo’n persoon is veel te hinderlijk voor mij. Ik heb alleen een heel enkele keer een portret van mezelf in de spiegel gemaakt. De mensen maken me gauw in de war. Ook toen ik in Rome woonde ging ik daar overdag zelden op pad.'

Nachtelijk Rome - Kerkjes, Piazza Venezia (1934), M.C. Escher © the M.C. Escher Company B.V. All rights reserved. www.mcescher.com
Waterval (1961), M.C. Escher © the M.C. Escher Company B.V. All rights reserved. www.mcescher.com

'Dan wachtte ik tot het donker was en dan flaneerde ik in alle rust en stilte door de steegjes om er met wit krijt op zwart papier te schetsen.’

U werd pas na de Tweede Wereldoorlog echt bekend. Dat moet frustrerend zijn. Hoe ging u daarmee om?

‘Tja, dat steekt hè. Mijn ouders hebben mij en mijn gezin lang moeten onderhouden en mijn schoonouders ook. Daar heb ik wel een tijdje onder geleden en ik werd er chagrijnig van. Jetta had het daar ook wel moeilijk mee, begrijpelijk… Maar het is niet dat ik helemaal niks verkocht. Ik maakte ex-librissen en illustraties voor boeken. Maar het was inderdaad nooit genoeg om echt voor mijn gezin te zorgen. En toen ik dan in 1950 plots internationaal doorbrak was dat wel een aanpassing. Natuurlijk was ik gevleid, maar ook wel wat geïntimideerd. Ik had toen miljonair kunnen worden. Als ik in m’n atelier assistenten had gehad dan zouden die de hele dag houtsneden moeten afdrukken om aan de vraag te voldoen. Maar daar heb ik nooit aan gedacht. Wat moest ik met het geld? Ik had drie zoons, die hadden het goed. Nog meer centjes, daar konden ze alleen maar slecht van worden…’