In gesprek met overleden kunstenaars

Fernand Légers kunst ademt de sfeer van het begin van de twintigste eeuw. Nieuwe technologieën en transportmiddelen schieten op dat moment als paddenstoelen uit de grond en uit Légers werk spreekt een ongelooflijke fascinatie voor die technologische vooruitgang. BOZAR Brussel eert in samenwerking met Centre Pompidou de kunstenaar met deze eerste Belgische retrospectieve in meer dan 60 jaar.

Les Loisirs-Hommage à Louis David, 1948 – 1949 Huile sur toile, 154 x 185 cm Achat de l’Etat, 1950 Attribution, 1950 numéro d’inventaire : AM 2992 BIS P Collection Centre Pompidou, Paris - Musée national d’art moderne - Centre de création industrielle © Centre Pompidou, MNAM-CCI/Jean-François Tomasian/Dist. RMN-GP © SABAM Belgium 2018

Uw werk is gemakkelijk te herkennen aan de buisvormige elementen en personages. Om uw stijl te omschrijven, werd in uw tijd ook wel gesproken over ‘tubisme’, in tegenstelling tot het toenmalige ‘kubisme’. Hoe kwam u bij de typische buisvorm?
'Die naam was spottend bedoeld, maar inderdaad, mijn vormen waren anders dan die van Picasso of Braque. In het begin van mijn carrière schilderde ik zelfs nog in een impressionistische stijl. Wat later maakte ik kennis met Paul Cézanne. Volgens hem waren alle vormen in de natuur terug te brengen tot geometrische vormen. Denk maar aan cilinders, kegels, bollen… In mijn vroege werk zie je nog scherpe hoeken, maar ik maakte al snel de overstap tot die buisvormige elementen. Misschien ben ik onbewust wel door Cézanne beïnvloed. Ik zag die buisvormen ook veel tijdens de Eerste Wereldoorlog. Denk maar aan al die geweerlopen die ik heb zien glimmen in de zon...'

Tijdens de Eerste Wereldoorlog vocht u in Argonne en was u hospik in Verdun. In september 1916 werd u het slachtoffer van een mosterdgas aanval, die u bijna het leven kostte. Nadien werd u in 1916 afgekeurd door het leger en hervatte u opnieuw uw schildercarrière. Wat was de impact van de oorlog op uw werk?
'Je zou denken dat nadat wat ik heb meegemaakt, ik me zou afkeren van al die machinerie en technologie die me bijna het leven had gekost.'

'Maar de oorlog heeft mijn optimisme en geloof in de vooruitgang niet beschadigd. Ik zag er nog altijd de schoonheid van in. Ook tijdens mijn militaire dienst was ik blijven tekenen. Ik heb enorm veel schetsen gemaakt van wapens, soldaten en vliegtuigen. Die schetsen werden na mijn dienst de basis voor schilderijen waarin je heel veel metalen, buisvormige, machine-achtige vormen herkent en met militaire thema’s waarin regelmatig soldaten figureren. Eigenlijk zou je wel kunnen zeggen dat daar in de loopgraven mijn droom is geboren om mooie objecten met mechanische elementen te creëren.'

We kunnen uw schilderijen herkennen aan de buisvormige elementen, maar u had ook een heel eigen kleurgebruik. Hoe kwam dit tot stand?
'Het was rond 1912 denk ik, dat ik daar mijn ‘stem’ in vond. De kubisten, die schilderden vaak in wat meer onbestemde aarde- en grijstinten. Maar ergens rond die tijd ging ik steeds vaker ongemengde verf gebruiken. Zo recht uit de tube. Zuivere kleuren en dan in combinatie met zwarte contourlijnen. Kleur is essentieel. Ik mag wel stellen: levensnoodzakelijk voor mij. Gecombineerd met een vlekkeloze, schone en glanzende afwerking van het werk. Zoals alleen echte werkmannen dat doen. Zoals ook bijvoorbeeld Henri Rousseau dat deed, een kunstenaar die ik erg bewonder omwille van zijn onweerstaanbare charme.'

Elément mécanique, 1924 Huile sur toile, 146 x 97 cm Legs de la Baronne Eva Gourgaud en 1965 numéro d’inventaire : AM 3717 P Collection Centre Pompidou, Paris Musée national d’art moderne - Centre de création industrielle © Centre Pompidou, MNAM-CCI/Jacques Faujour/Dist. RMN-GP © SABAM Belgium 2018
Les deux femmes debout, 1922, Huile sur toile, 65 x 54 cm Collection Centre Pompidou, Paris - Musée national d’art moderne - Centre de création industrielle © Centre Pompidou, MNAM-CCI/Christian Bahier et Philippe Migeat/Dist. RMN-GP © SABAM Belgium 2018

U maakte schilderijen, maar schilderde ook filmaffiches, ontwierp muurschilderingen en decors. Ging u hiervoor anders te werk dan bij het maken van schilderijen?
'Een schilderij staat op zichzelf. Het is een intrinsiek kunstwerk. Een decor of een muurschilderij ontstaat in overleg met de architect en in relatie tot de architectuur of de ruimte waarin het moet functioneren. Een decor gaat een relatie aan met de ruimte, met de muzikanten, de acteurs, met de zaal zelf… Het is een ‘collectief’ kunstwerk en hoe meer relaties een kunstwerk aangaat met de omgeving, hoe moeilijker de realisatie van het kunstwerk is.'

We mogen u gerust een duizendpoot noemen. U co-regisseerde zelfs een film die ook te zien is op de expo in BOZAR. Hoe verhouden de twee disciplines zich ten opzichte van elkaar?
'Film was mijn grote passie. Ik was ook een absolute fan van Charlie Chaplin. Film kon voor mij als geen ander medium de fragmentatie en de snelheid van die periode uitdrukken. U verwijst naar ‘Le Ballet Mécanique’, een film die tot stand kwam samen met filmmaker Dudley Murphy. Het is een abstracte opeenvolging van beelden en tussendoor zie je Kiki de Montparnasse. Net als mijn schilderijen is de film gefragmenteerd en geeft hij het gevoel van door een caleidoscoop te kijken. Het spel tussen statische en dynamische elementen dat in mijn schilderkunst voorkomt, zie je ook terug in deze film. Ik versnel en vertraag, dat is kortweg mijn manier van werken.'