In gesprek met overleden kunstenaars

De 19de eeuw was een belangrijke eeuw voor de landschapsschilderkunst. De toenemende populariteit dankte het landschap die eeuw in grote mate aan de Franse schilders Jean-Baptiste Camille Corot (1796-1875) en Theodore Rousseau (1812-1867). Zij hoorden bij de eerste schilders die in de natuur gingen schilderen, en plein air. Vincent Van Gogh (1853-1890) was al als jonge kunstenaar gefascineerd door de natuur en bewonderde de landschapsschilderijen van de twee Franse meesters. Het Van Gogh Museum zet deze zomer de landschappen van de drie schilders in de kijker. Wat hoopten ze te vinden in de natuur? Een ontmoeting in een achteraf hoekje van een Parijs café.

Vincent Van Gogh, Zonsondergang bij Montmajour, 1888, Particuliere collectie.

Monsieur Corot, u bent de eerste die echt de natuur in trok, beladen met ezel en verf. Wat bezielde u?
‘Als ik het me goed herinner was het begin jaren 1820 dat ik voor het eerst in de natuur ging schilderen. En het was in de lente van 1829 dat ik voor het eerst in het dorpje Barbizon terecht kwam, verscholen in de machtige bossen van Fontainebleau. Echte schilderijen ter plaatse maakte ik daar nog niet. Het waren schetsen of olieverfstudies. In mijn atelier werkte ik die verder uit. Wat ik zocht in de natuur? Het moment. De laatste zonnestraal van een zonsondergang, een strook van goud en purper die de wolken omrandt…’

Monsieur Rousseau, u trok niet veel later eveneens naar het dorpje Barbizon dat stilaan uitgroeide tot een kunstenaarskolonie. Was het voor u ook het spel van licht en schaduw dat u aantrok? 
‘Ik had Barbizon al enkele keren eerder bezocht, maar in 1848 verhuisde ik definitief naar het dorp. Ik had een opleiding gehad die gedomineerd werd door de romantische schilderkunst, maar ik zocht naar een andere manier om het landschap weer te geven. Het licht dat altijd maar verandert in de bossen, dat op het kreupelhout en het gebladerte valt. Dat wilde ik op het doek vangen. Waar denkt u dat de impressionisten de mosterd hebben gehaald!? 

Jean-Baptiste-Camille Corot, Herinnering aan Nemi. Rotsen en struikgewas, 1844-1845, De Mesdag Collectie, Den Haag.
Théodore Rousseau, Beekje in het bos van Fontainebleau, 1849, De Mesdag Collectie, Den Haag.

Ze gingen mij uiteindelijk ‘Homme des forêts’ noemen, de ‘Man van de bossen’. Alleen als het echt moest dan verliet ik Barbizon. Zelfs niet toen mijn werk goed verkocht.' [Vincent vult instemmend aan] 'Wil je als kunstenaar de natuur echt kennen en begrijpen? Dan kan dat alleen op een plek waar je er middenin kunt wonen en werken. Dus ik kan me helemaal inleven in Theodore en de kunstenaars die naar Barbizon verhuisden.’

Hoe kwam het toch dat plein air schilderen, het schilderen in de buitenlucht, plotseling zo populair werd?
[Rousseau] ‘Dat had ook een praktische reden. Ik denk dat de kunstenaars vóór ons dat wel wilden, maar het was een heel gedoe met die zware schildersezels en die aparte pigmenten en ingrediënten om de verf te maken. Doordat de schildersezels handzamer én draagbaar werden en in 1838 de eerste verf in tubes op de markt kwam, was het eenvoudiger om eropuit te trekken.’

Van Gogh, u bent van een jongere generatie, was u vertrouwd met het werk van uw Franse voorgangers?
‘Als jonge kunstenaar woonde ik in Zundert, op het Brabantse platteland. En ik bracht mijn jeugdjaren door op de akkers en in de bossen. Mijn liefde voor de natuur is daar ontstaan. En als ik die rijke heide zag, en de moerassige weien, dan werd ik vaak herinnerd aan de schilderijen van Theodore, die ik zeker kende.’ 

Théodore Rousseau, De kromme boom bij het Carrefour de l'Epine, 1852, De Mesdag Collectie, Den Haag.
Jean-Baptiste-Camille Corot, Verlaten steengroeve, 1850, De Mesdag Collectie, Den Haag.

Van Goghs schilderkunst is van een andere generatie, en heel anders op het vlak van kleurgebruik en penseelvoering, maar merken jullie ook gelijkenissen op?
[Rousseau] ‘Het landschap was lang verwaarloosd in de (Franse) schilderkunst. De klassiek geschoolde academies keken neer op het genre. Het landschap diende alleen als decor voor een historische of mythologische scène zoals Poussin ze zo prachtig schilderde. Haalde je het als schilder in je hoofd om alleen een landschap te schilderen, dan riskeerde je een storm van kritiek. Stilaan kwam het landschap meer in de belangstelling te staan. Als reactie op de romantische landschappen van onze voorgangers wilden Corot en ik juist landschappen schilderen zonder versiering, zonder excuus. We hadden veel aandacht voor de kleuren, die een bepaalde stemming moesten overbrengen. Als ik kijk naar Vincents werk, dan voel ik dat dit ook zijn wens was.’  
[Corot] ‘Onze doeken maken inderdaad nogal een donkere indruk. Door de pigmenten die erin zaten, verliezen de kleuren in de loop wat van hun kracht. Je moet ook weten dat die felle pigmenten die Vincent gebruikte, pas vanaf de jaren 1860 beschikbaar waren.’
[Van Gogh] 'Ik wilde het bos schilderen zodat men er in ademen en rondwandelen kon – en het bos kon ruiken. Onze kleuren en penseelstreken verschillen misschien, maar ik denk dat we hetzelfde verlangen delen.’

Vincent van Gogh, Verwaaide bomen bij Loosduinen, 1883, Privécollectie.