Jean Tinguely met Moulin, 1963, © Museum Tinguely, Basel. Foto: Monique Jacot (detail).

In gesprek met overleden kunstenaars

We ontmoeten de Zwitserse kunstenaar Jean Tinguely (1925-1991) in Amsterdam waar je in het Stedelijk Museum nog tot 5 maart 2017 een grote overzichtstentoonstelling van zijn werk kunt bezoeken. 

Jean Tinguely met Méta-Matic No. 17 voor de Eiffeltoren, 1959. Foto: John R. Van Rolleghem, c/o Pictoright Amsterdam, 2016.

Mijnheer Tinguely, de tentoonstelling laat ons zien dat u al gauw de richting van de kinetische kunst koos. Kunt u in het kort schetsen hoe het begin van uw carrière verliep?
'Mijn eerste kunstwerken waren assemblages die ik maakte met gevonden voorwerpen. Ik had gezien hoe Marcel Duchamp in zijn werk bestaande objecten en materialen gebruikte en dat inspireerde me. In die vroege draadsculpturen en reliëfs bootste ik de abstracte schilderijen na van kunstenaars die ik bewonderde zoals Malevich, Miró en Klee. Schroot, afval, gebruikte kledingstukken, niets vond ik te gek om te gebruiken in mijn installaties. Maar het was niet genoeg. Er waren zoveel nieuwe materialen en technieken om te ontdekken. Onze samenleving ging vooruit, maar de toenmalige kunstwereld was zo saai! Zo statisch. Er gebeurde niks, er was geen plek voor spel en experiment, terwijl dat voor mij juist van primair belang was. Ik wilde alles in beweging zetten. Zo kwam ik al gauw uit bij de kinetische kunst.'

Jean Tinguely en Niki de Saint Phalle, Le Cyclop - La Tête, 1970. Collectie Museum Tinguely Basel, a cultural commitment of Roche, schenking Niki de Saint Phalle. Foto: Christian Baur, c/o Pictoright Amsterdam, 2016.
Jean Tinguely, Méta-Matic No. 10, 1959. Collectie Stedelijk Museum Amsterdam, c/o Pictoright Amsterdam, 2016.

Een kinetisch kunstwerk kun je niet in één oogopslag bevatten zoals een schilderij of een beeldhouwwerk. Het vraagt meer engagement van een museumbezoeker. Wat denkt u daarover?
'Dat is precies wat ik wilde: de toeschouwer meer bij de kunst betrekken. Hem activeren. Daarom maakte ik mijn do-it-yourself tekenmachines waarbij de bezoeker meehelpt aan de creatie van een kunstwerk. De kunstenaar is zo elitair. Wie heeft ooit beweerd dat alleen hij kunst kan maken? In mijn tentoonstellingen mogen bezoekers zelf aan de slag gaan en een ‘kunstwerk’ maken. Ik hou ook niet van die steriele witte ruimtes waarin je fluisterend en terwijl je jezelf zeer serieus neemt stokstijf naar een kunstwerk moet kijken. (zucht) Dat elitaire aura, dat moeten we doorprikken. Ik wilde de kunst uit zijn ivoren toren halen en de grenzen opzoeken tussen kunst en leven. Het was hoog tijd dat kunst toegankelijk werd voor alle mensen.'

U maakt machines die zichzelf vernietigen. Welk idee zit daarachter?
'Alles verandert. Niks is statisch. Het leven is nu eenmaal permanent in verandering. Alles is continu in beweging. Mijn machines ook. Ze weerspiegelen die cyclus van het leven. Met als sleutelwoorden instabiliteit, vergankelijkheid en destructie. Technologie brengt ons niet alleen maar vooruitgang. In mijn tijd werd daar nog aan getwijfeld, maar ik denk dat dit intussen wel duidelijk is?  Het is misschien een wat pessimistisch wereldbeeld, maar in mijn absurde, lawaaierige en toch ook wel speelse installaties overgiet ik dat wereldbeeld met een gezonde dosis humor (knipoogt).'

Jean Tinguely, Mengele-Totentanz (Hoch-Altar) met de vier acolieten Bischof, Gemütlichkeit, Schnapsflasche en Television, 1986. Collectie Museum Tinguely Basel - a cultural commitment of Roche. Foto: Christian Baur, c/o Pictoright Amsterdam, 2016.

De laatste installatie van de tentoonstelling Mengele-Totentanz (1986), is zo’n zelfdestructief werk. Vertel er eens wat meer over.
'Nee, dat ga ik niet doen. Mensen moeten dat werk ervaren. Ik zal vast verklappen dat het luidruchtig is, demonisch en spectaculair.' (lacht)

Kunt u misschien dan wel vertellen wat uw inspiratie was voor die installatie?
(even stil) 'In 1986 ging de boerderij van mijn buren in vlammen op na een blikseminslag. Ik herinner het me alsof het gisteren was. Ik was ooggetuige. De macabere resten van de brand zoals de verkoolde balken, landbouwmachines en dierenskeletten deden mij om een of andere reden denken aan de overblijfselen van de concentratiekampen. Het maismachine was toevallig van het merk Mengele, zoals de naam van de beruchte Nazi dokter… Zijn bijnaam was ‘de engel des doods’… Zo kwam ik tot deze ‘danse macabre’, een memento mori van 14 machinerieën.'

Jean Tinguely, Ballet des pauvres, 1961. Collectie Museum Tinguely Basel - a cultural commitment of Roche. Foto: Christian Baur, c/o Pictoright Amsterdam, 2016.

U heeft veel samengewerkt met andere kunstenaars, onder andere met uw echtgenote. Wat was de meerwaarde van die samenwerkingen?
'Een kunstenaar is geen eiland. Ik heb de indruk dat kunstenaars tegenwoordig allemaal geïsoleerd werken. Maar er kunnen zo’n mooie dingen ontstaan als je de handen in elkaar slaat. Ik heb onder andere samengewerkt met Daniel Spoerri, Yves Klein en inderdaad meermaals samen met mijn tweede echtgenote Niki de Saint Phalle. De fontein achter het Centre Pompidou in Parijs heeft u misschien al eens gezien? Weet u dat ze ons de ‘Bonnie en Clyde’ van de moderne kunst noemen? Terecht, we waren een goed team en gaven elkaar alle artistieke vrijheid.'

Tot slot, hoe voelt het om 25 jaar na uw dood een overzichtstentoonstelling te krijgen in het Stedelijk Museum?
'Het flatteert me natuurlijk, maar dat het juist daar is, verbaasd me niet. Ik heb altijd al een speciale band gehad met het museum. Zo was ik goed bevriend met de voormalige directeurs en kocht het museum ook verschillende werken van mij aan. In 1961 stelde ik de tentoonstelling Bewogen Beweging voor het museum samen en een jaar later Dylaby. Mijn band met Nederland gaat dus al een tijdje terug.'

Jean Tinguely en Niki de Saint Phalle , Parijs, 1966, © Museum Tinguely, Basel. Foto: Monique Jacot.