Het alledaagse tot leven wekken

Kunstenaar Niels Smits van Burgst legt met zijn schilderijen het alledaagse vast. ‘Je kunt weinig grip krijgen op mijn schilderijen en een echt verhaal valt er ook niet van te maken. Wat ik eigenlijk probeer is een bepaald moment, tweehonderdste van een seconde, tot leven te brengen. Alsof het van groot belang is. Dat is natuurlijk niet zo, want eigenlijk bestaat dat moment niet in menselijke waarneming.’

U heeft een voorkeur voor alledaagse en hedonistische taferelen. Waarom?
‘Alledaags in ieder geval, genotszuchtig ook wel ja. Eigenlijk gebeurt er niet zo veel op mijn schilderijen. Over het algemeen zijn het mensen die feest vieren, zuipen, op vakantie zijn. Het gaat automatisch; ik denk dat ik het enthousiasme van deze taferelen wel leuk vind. Tegenwoordig in sociale media delen mensen van alles met elkaar: foto’s van hun alledaagse leven, feestjes, vakantie. Door mijn schilderijen hoop ik een beeld te schetsen van hoe mensen  zich profileren.’

Wat is kenmerkend aan uw stijl van schilderen?
‘Jaren geleden was ik veel preciezer. Ik had meer een vlotte toets en wilde op die manier personages zo raak mogelijk neerzetten. Dat vond ik op een gegeven moment niet meer kloppen met de realiteit. Ik ging toen de contrasten verlagen en minder tekenachtig schilderen. Uiteindelijk leidde dat ertoe dat ik steeds meer een kleurruimte schilder in plaats van een personage in een bepaalde ruimte. Ik wil de suggestie wekken van een persoon, maar de persoon is er niet daadwerkelijk. Het is meer een soort atmosfeer waar vervolgens wel een figuratief beeld uit naar voren komt. Mijn werk is nu lichter, kleuriger en met lagere tonale contrasten. Ik probeer alles in kleur op te lossen. Gevolg is wel dat ik nu trager schilder. Dat kon ik me twee jaar geleden absoluut niet voorstellen.’ 

Scene on a balcony, olieverf op doek, 150 x 200 cm.
Meeting in Essen 2003, olieverf op doek, 150 x 220 cm.

Er zijn vooral jonge mensen op uw schilderijen te zien. Vanwaar deze keuze?
‘Voor oudere mensen is er minder perspectief in tijd, terwijl voor jongeren de hele wereld open ligt. Er is een zekere belofte, maar door de taferelen die ik schilder wordt die belofte de kop ingedrukt. Er gebeurt namelijk niets noemenswaardigs; het zijn als het ware tussenmomentjes. Er is wel een feestje aan de gang, maar of dat uitmondt in een vechtpartij of seks op de bank: dat laat ik niet zien. Meestal zoeken de personages contact met de toeschouwer. Om zichzelf te laten zien. Dat kies ik wel bewust zo uit. Het hoofdpersonage is ook altijd op ware grootte geschilderd. Als je taferelen schildert waarbij je als toeschouwer niet aangekeken wordt, dan is het meer een plaatje waar je alleen naar kan kijken. Ik vind het spannend de toeschouwer erin te betrekken.’

Seaside Picknick, olieverf op doek, 110 x 150 cm.
Moondance 02, olieverf op doek, 110 x 100 cm.

Hoe komt een schilderij tot stand?
‘Ik bekijk heel erg veel foto’s, duizenden. Vooral van momenten die je in het dagelijks leven nooit exact waar kunt nemen: de tweehonderdste van een seconde. Dat probeer ik tot leven te wekken. Daarom gebruik ik foto’s en wil ik niets in scène zetten. Want het zijn situaties die je niet kunt bedenken, laat staan ensceneren. Ik schilder taferelen van andere mensen, van feestjes waar ik nooit bij ben geweest. Die beelden meng ik met beelden uit mijn eigen leven. Tijdens het schilderen worden sommige onderdelen helder en verdwijnen andere zaken in de abstractie.’ 

Encounter in the Woods, olieverf op doek, 120 x 100 cm.
Alexander, olieverf op doek, 120 x 100 cm.

Zoals personages bijvoorbeeld?
‘Zeker. Ik ben de laatste tijd zelfs bezig om personages te laten verdwijnen in het licht. Als je personages in licht en donker uitwerkt, zet je ze tamelijk vast. Als je alleen kleur gebruikt, dan kun je de licht-donker verhoudingen aanpassen en lijken personages bijna te verdwijnen. Er blijft dan een soort droombeeld over met de suggestie van een persoon. Je hoofd maakt het beeld als het ware af. Het resultaat is een werk met hoofdzakelijk een geschilderde kleurruimte waar stiekem een figuratie in te zien is.’

Welke andere kunstenaars inspireren u?
‘Oh, er zijn er zoveel. Vroeger was ik groot fan van Frans Hals en Adriaen Brouwer, een genreschilder uit de 17e eeuw. Hij schilderde rokende, drinkende en schreeuwende mannen en vrouwen. Dat zijn tafereeltjes die ik ook maak, maar dan anders, moderner. Eric Fischl trekt me ook. Hij schildert eveneens momenten die er niet echt toe doen. Zo zijn er zoveel schilders waarvan ik vind dat ze tof werk hebben gemaakt. Zoals Peter Paul Rubens, terwijl dat weer totaal anders is. Kijk naar zijn grote schilderijen van zes meter hoog met blote kindertjes die rondvliegen. Ja, dan sla ik ook wel stijl achterover. Het wordt in zijn handen geloofwaardig, ook al is dat het niet.’